Tinteling van de spanning | Exclusief interview Harrie Lavreysen

Gastblogger | 18 mei 2021

Harrie Lavreysen is de ster van het baanwielrennen. “Ik roep alle agressie uit al mijn vezels op.”

Wie op bezoek komt bij Harrie Lavreysen en zijn vriendin weet meteen dat er een wereldkampioen in huis woont. Aan de muur in de hal van de woning hangen zes regenboogtruien, alle zes voorzien van een gouden plak op de borst. Het leven van Lavreysen draait om baanwielrennen. Dat is niet altijd zo geweest. Als jonge knaap van amper zes jaar oud stapte hij voor het eerst op een fiets. Niet op een racefiets, maar op de BMX om over de verhogingen van de baan in zijn woonplaats Luyksgestel te razen. Het bleek liefde op het eerste gezicht die in zijn puberjaren leidde tot drie Europese titels op een rij.

Tot aan die successen combineerde de Brabander BMX met turnen. Dat maakte van hem een topatleet. Rond zijn achttiende stond hij voor de zoveelste operatie nadat beide schouders uit de kom waren gevlogen. De BMX’er ging sowieso al van blessure naar blessure en van operatie naar operatie. Door al dat leed reed hij nauwelijks wedstrijden. Dan maar het veiliger geachte baanwielrennen, waarvoor het sprintkanon ook meteen aanleg bleek te hebben. Om die reden verhuisde hij in 2018, kort na de wereldkampioenschappen op de baan, naar Apeldoorn. De rijtjeswoning aan de rand van de stad, niet ver van Omnisport waar hij dagelijks traint, betrok hij in eerste instantie samen met baancollega Nils van ‘t Hoenderdaal. Nu woont hij er met zijn vriendin.

Hoe vaak fietst een baanwielrenner op de openbare weg?

“Ik rijd in ieder geval elke ochtend buiten. Dan ga ik met de racefiets naar Omnisport zodat ik tussen de sprintsessies kan uitbollen.”

En echt trainen in de buitenlucht?

“Dat schommelt per jaar rond de 2.500 kilometer, minder dan een gemiddelde wielrenner, vrees ik. Dan reken ik de ritjes tussen mijn huis en Omnisport niet mee, net als het uitfietsen tussen de sprints op de baan. Anderhalf uur is voor mij het maximum. Dan rijd ik met een lage hartslag rond, met een gangetje van 28 of 29 kilometer per uur gemiddeld. Als het zonnig is, kan ik ervan genieten. Bij regen vind ik het vreselijk. Maar als het moet, dan ga ik wel.”

(70)

Levertijd onbekend
(27)

uitverkocht

Een sprinter als jij heeft dus weinig duurtraining nodig?

“Ik ben twee keer op Mallorca geweest met de nationale ploeg. Dat was twee keer echt puur voor het wielrennen en uren maken. Gelukkig stond er weinig klimwerk op het programma, want daarvoor ben ik gewoon te zwaar. Volgens mij reden we tien keer een ronde over het eiland in die tien weken. Soms haalden we de vier uur, ongeveer honderd kilometer. Een normale wielrenner zou lachen om deze afstanden, maar voor mij was het heel ver. In mijn eentje zou de verveling toeslaan. Gelukkig had ik teamgenoten om mij heen. In Nederland fietste ik de afgelopen tijd vooral met Jeffrey Hoogland. Wanneer ik alleen was, zette ik een podcast aan.”

“Er was altijd de motivatie om de Olympische Spelen te halen, om topsporter te worden”

Ben je iemand met vaste rondjes?

“Jazeker, die heb ik. Ik weet precies hoe lang ik over een route doe. Wanneer een uur of anderhalf uur op het programma staat, weet ik waarlangs ik moet rijden om me aan die tijd te houden. Op de terugweg wil ik altijd de wind in mijn rug hebben. Soms ben je een half uur op weg, rijd je in een heerlijk tempo en kost het je weinig moeite. Dan keer je en besef je dat de wind vol op de kop staat. Nee, dan liever andersom.”

Heb je als tiener veel opzij moeten zetten om uiteindelijk de top te kunnen halen?

“Dat viel mee. Mijn hele jeugd stond al in het teken van sport, dus daar wilde ik ook mee doorgaan. Op mijn zestiende woonde ik al op sportopleidingscentrum Papendal. Ik heb ook nooit het gevoel gehad dat ik iets miste, er was altijd de motivatie om de Olympische Spelen te halen, om topsporter te worden. Veel van mijn vrienden van de middelbare school zie ik nog, in ieder geval buiten coronatijden om. Dan denk ik wel: ik had ook student kunnen zijn met veel bier en stappen. Dat had ik zeker mooi gevonden, maar ik heb nooit spijt gehad van de keuzes die ik heb gemaakt.”

Bij veel keuzes denkt een topsporter in de eerste plaats aan zichzelf. Zie je dat in jezelf terug?

“Soms. Ik probeer vooral goed op mijn rust en eten te letten, maar dat is logisch. Toen Noor en ik net gingen samenwonen, betrapte ik mezelf erop dat ik veel met mezelf bezig was. Je doet toch wat het beste voor jezelf is, daar denk ik voortdurend over na.”

Gaat de jacht op gouden medailles ook wel eens ten koste van jouw vriendin?

“Naarmate een groot evenement dichterbij komt sluit ik me steeds meer af. Dan boeit de rest van de wereld mij niet zo veel meer. Dat weet Noor en daar gaat ze heel goed mee om. Ik ben dan alleen met de wedstrijd bezig. Om een voorbeeld te geven: ik heb geen idee waar ze die dag dan mee bezig is, al heeft ze het mij al vijf keer verteld. Ik stel op een gegeven moment geen vragen meer. Alles draait dan volledig om dat ene moment. Later zal dat anders zijn.”

Ben je vlak voor wedstrijden ook zo gefocust?

“Dan ben ik redelijk ontspannen. Soms kijk ik wat om me heen, zoek ik naar mensen op de tribune. Soms zwaai ik even. Als ik gek word, heb ik behoefte om te praten, vooral met stafleden. Dat is dan echt een heel prettige afleiding. Het geeft mij rust in mijn hoofd. Ik heb de gave dat ik goed aanvoel hoe ik in mijn spanning zit. Soms is er te veel of juist te weinig spanning. Als het spanningsniveau te laag is, visualiseer ik de race een paar keer. Als het te hoog is, ga ik naar de stafleden.”

“Alles draait volledig om dat ene moment. Later zal dat anders zijn”

En dan, heel kort voor de race, moet je op een stoel wachten tot je wordt opgeroepen.

“Dan maak ik mezelf echt helemaal gek. Ik wil alle agressie uit al mijn vezels oproepen. Ik moet boos worden. Furieus. Dan pas haal ik alles uit mijn sprint. Ik hoef daarvoor de tegenstander in de sprint niet te haten, ik hoef hem niet lelijk te maken. Van fietsen tegen een klootzak ga ik niet harder sprinten. Ik wil gewoon winnen. Tintelingen van spanning schieten door mijn lijf.”

Weet je in een sprintduel precies wat je gaat doen?

“Ja. Helemaal. Ik weet exact wanneer ik aanzet, eigenlijk een half uur van tevoren al. Te veel daarover nadenken is ook niet goed, want ik moet kunnen anticiperen op de bewegingen van de tegenstander. Meerdere scenario’s zitten in mijn hoofd. Een moment van twijfel betekent verlies.”

De sprint, het onderdeel waarop je tweevoudig wereldkampioen bent, wordt gezien als het koningsnummer. Vind jij de sprint belangrijker dan de twee andere onderdelen (teamsprint en keirin) waarop je nu wereldkampioen bent?

“Het gaat er in de teamsprint om dat je met elkaar naar een prestatie toewerkt, in mijn geval met Jeffrey Hoogland, Matthijs Büchli en Roy van den Berg. We zijn er met zijn vieren veel mee bezig. Samen winnen en samen vieren is prachtig. Al vind ik een individuele titel net wat mooier. Je hebt het dan echt zelf gedaan. Die sprint blijft daarom voor mij het koningsnummer.”

De wereldtitel op de sprint is jouw mooiste overwinningen tot nu toe?

“De vraag welke wereldtitel mij het meeste waard is, heb ik vaak gekregen. Het afgelopen WK in Berlijn vond ik de meest waardevolle. Die was onverwachter. Keirin is meer een loterij dan de andere nummers. Je kan de sterkste, snelste en meest technische renner zijn, maar dan kan je alsnog in een positie komen waarin winnen onmogelijk wordt.”

En dan nu, na al die jaren van hard trainen en nog een jaar uitstel, mag je dan eindelijk naar Tokio. Daar mag je het laten zien.

“Ik krijg een kick van de Olympische Spelen. Als jochie en BMX’er had ik dat al. Ik heb er zo lang naar uitgekeken. Nu ik zes keer wereldkampioen ben geworden, is de olympische gedachte van alleen meedoen niet voldoende meer. Ik ga erheen om te winnen.”

Harrie Lavreysen

Geboren: 14 maart 1997
Geboorteplaats: Luyksgestel
Palmares: met zes wereldtitels de meest succesvolle Nederlandse baanwielrenner. De eerste baanwielrenner in de geschiedenis die op een WK driemaal goud won. Ook in het bezit van drie Europese titels

Hoe gesoigneerd zit jij op de fiets als je naar buiten gaat?

“Ik let er best wel op. Voordat ik de deur uitga, kijk ik altijd goed naar hoe ik er op dat moment uit zie. Nooit, maar dan ook nooit, rijd ik in mijn regenboogtrui op de openbare weg. Dat is niet alleen een belediging voor wereldkampioen Julian Alaphilippe, maar ook voor het shirt. Soms zie ik iemand in de gele trui of de regenboogtrui buiten rijden. Dat zou eigenlijk verboden moeten zijn.”

Binnen op de wielerbaan draag je de regenboogtrui wel altijd?

“Ja. En dan heb ik het voordeel dat ik in drie disciplines wereldkampioen ben. Jeffrey Hoogland is er heel erg mee bezig. Als we trainen voor de teamsprint, draagt hij ook de regenboogtrui. Als we sprintwerk doen voor de individuele nummers, kleedt hij zich met een ander shirt. Dat doet hij uit respect voor mij en de titel.”

Hoe zitten de baanpakken tijdens wedstrijden?

“Zeer, zeer strak. Het pak trekt me in de fietshouding en moet zo rimpelloos om het lichaam heen zitten. Allemaal voor de aerodynamica. Daaraan gaat een heel pasproces vooraf. Op de baan lijken we door dat strakke pak een soort bodybuilders. De armen worden opgetild. Daar kunnen we niets aan doen.”

En de helm?

“Die hebben wij van Lazer. Die van nu zit perfect, maar hiervoor heb ik wel eens problemen gehad met helmen. Mijn hoofdmaat zit ergens tussen een S en een M in. De M vond ik te groot en dus ging ik voor de S die te strak zat. Met een verwarmde lepel schepte ik dan piepschuim uit de binnenkant zodat die wel paste.”

Is de wegfiets altijd schoon als je naar buiten gaat?

“Toevallig heb ik de KOGA net gepoetst omdat ik nieuwe wielen van Fast Forward kreeg. Hoge velgen heb ik het liefst. Als ik nieuwe wielen in de fiets zet, maak ik alles meteen even schoon. De fiets is nooit echt heel smerig, omdat ik met regen bijna niet naar buiten ga. Dit model is speciaal gemaakt voor de Olympische Spelen, een kunstenaar heeft er een draak op het frame voor ontworpen.”


» Perfect wapen

Speciaal voor de Olympische Spelen in Tokio ontwikkelde Koga een nieuwe baanfiets voor de Oranje-selectie.

Uit tests is gebleken dat de nieuwe baanfiets bijna een halve seconde tijdswinst op de teamsprint – drie ronden van 250 meter – kan opleveren. De Kinsei is het resultaat van een samenwerking tussen KOGA, KNWU, TU Delft, Actiflow (gespecialiseerd in aerodynamica) en Pontis Engineering (gespecialiseerd in composiet materialen).
KOGA ontwierp het vorige model, de Kimera, specifiek voor Theo Bos voor de Olympische Spelen van 2008 in Peking. Sindsdien reed de volledige Nederlandse selectie met deze baanfiets.

Was het tijd voor iets nieuws

Harald Troost, brand manager bij KOGA: “De branche blijft innoveren, er zijn steeds weer nieuwe inzichten. Een paar jaar geleden kregen we een verzoek van het Nederlands team: ‘We zouden heel graag een andere fiets willen, want we hebben het gevoel dat het nóg beter kan.’ In topsport, en zeker in het baanwielrennen, is het verschil tussen goud en zilver soms een duizendste van een seconde. We hebben toen gezegd: als sponsor gaan we die ontwikkeling doen, in maart 2017 zijn we begonnen.”

Wat was het uitgangspunt

“Nederland heeft de laatste jaren een fantastische lichting baanrenners, zij behoren tot de wereldtop. En dus hebben we gezegd: de nieuwe baanfiets, later tot Kinsei gedoopt, moet voor iedereen het perfecte wapen zijn om voor goud te gaan. Het doel was een aerodynamischere, lichtere fiets die net zo stijf is als de Kimera. Tegelijkertijd hebben we het project breder getrokken en andere partners aangesloten. Wij kunnen wel een perfecte fiets bouwen, maar er zijn nog meer factoren belangrijk. De TU Delft, bijvoorbeeld, heeft gewerkt aan de ideale positie van de renner.”

Arend Schwab, hoofd van het Bicycle Lab van de TU Delft: “Wat ons opviel was dat niemand echt goed op de Kimera paste. Renners stootten soms met de knie tegen de elleboog, bleek bij observaties. De Kimera was voor de meesten te klein. We wilden een aerodynamische, stijve fiets waarop de renners hun vermogen kwijt kunnen. Daarnaast hoorden we tijdens interviews met renners terug dat zij bij de aanzet in de bochten soms moeite hadden om lijn te houden. De besturing was te nerveus. Ook dat moest veranderen.”

Wat is er veranderd

Schwab: “De wielbasis is groter geworden. Dat is ook de eerste reactie die we van renners kregen: ‘Zo, wat een grote fiets!’ In combinatie met de individuele voorbouw per renner draagt dat bij aan een betere besturing en stabiliteit.”
Troost: “Een grote verandering is de betere aerodynamica, onder meer dankzij vleugelprofielen, plattere buizen en de voorbouw. De stuurpen loopt nu gelijk over in de bovenbuis. Dat is een duidelijk verschil. Ook al was het geen doel op zich, we hebben door de samenwerking met Pontis Engineering de stijfheid kunnen vergroten. Er is heel goed gekeken en geanalyseerd: waar zit het materiaal nu? En waar hebben we de stijfheid nodig? Op sommige plaatsen is materiaal verplaatst of weggelaten.”

Hoe hebben jullie voor de personalisatie gezorgd?

Troost: “De Kinsei is er in meerdere framematen. Daarnaast heeft iedere renner zijn of haar custom stuur met uiteraard de perfecte stuurpenlengte. En ook met een aangepaste ronding en vorm van de stuurbocht, zodat elke renner in een zo aerodynamisch mogelijke positie kan rijden.”
Schwab: “Alle renners zijn opgemeten. Vervolgens zijn de modellen daarvan optimaal op de fiets gezet. Bij de praktijktest hebben we gezegd: ‘Ga maar op deze manier op de fiets zitten’. In het begin voelde dat voor iedereen gek, maar met keiharde nummers konden we hen overtuigen. The proof of the pudding is in the eating. Als je ze ziet rijden, dan weet je: het is beter. De feedback is lovend.”
Troost: “Het voordeel voor de ene renner is groter dan voor de ander. Jeffrey Hoogland was de eerste renner die met het prototype ging rijden. Hij zat ietwat gedrongen op de Kimera en kreeg op de Kinsei eindelijk meer ruimte om zijn kracht kwijt te kunnen. Niet veel later klopte Harrie Lavreysen aan: ‘Ik wil ook mijn nieuwe fiets, want Jeffrey komt met zijn tijden veel te dichtbij!’”

Wat was de grootste uitdaging?

Schwab: “Een beperking was de regelgeving van de UCI. Wij zaten heel erg te worstelen met zaken als: waar mogen de handen van de renner precies komen, rekening houdend met de wielbasis? Dat en meer zaken schrijft de internationale wielerunie precies voor. Sommige zaken zijn daardoor suboptimaal.”
Troost: “We hebben gewoon beperkingen, je moet binnen de grenzen blijven. De regelgeving is ook aan verandering onderhevig. Op het moment dat de regelgeving meer vrijheid biedt, kunnen we de fietsen nog sneller maken. Binnen de huidige kaders hebben we er het maximale uitgehaald.”

Tekst: Thomas Sijtsma
Fotografie: Klaas Jan van der Weij

FuturumMag.17

Dit artikel is afkomstig uit FuturumMag.17, het magazine van FuturumShop. Wil je meer interviews, reviews, tips of achtergrondverhalen lezen? Klik hier voor alle artikelen uit het FuturumMag.