Beuken op pure kracht | Zdenek Stybar over Parijs-Roubaix

Gastblogger | 20 september 2021

Zdeněk Štybar over zijn lievelingskoers Parijs-Roubaix.

In het begin van de coronacrisis was het behelpen voor het profpeloton. De een was veroordeeld tot zijn hometrainer op het balkon in Monaco, een ander mocht alleen in zijn uppie naar buiten, weer een ander moest als een gevangene met een enkelband in de eigen regio blijven. België stond het toe om in tweetallen te trainen in de eigen omgeving. Zdeněk Štybar stemde in deze periode zijn wegtrainingen af op Mathieu van der Poel, zijn streekgenoot in Vlaanderen. Aan de ene kant een luxe, want de Tsjech kon zich optrekken aan één van de grootste klassiekerspecialisten ter wereld. Aan de andere kant een last, want elke training zag hij af. Een paar uur rustig peddelen met Van der Poel is immers niet mogelijk. Regelmatig tikten de twee afstanden van tweehonderd kilometer en meer aan, met gemiddeldes op sommige stukken van veertig kilometer per uur. De verlossing voor Stybar kwam vaak bij de bakker, waar hij met koffie en een broodje de energiereserves aanvulde. De voertaal was Nederlands. Štybar leeft al jaren in het Vlaamse land en spreekt de taal vlekkeloos. In 2020 betaalde de noeste trainingsarbeid zich niet uit in successen. Zijn vormpeil wisselde sterk waardoor een uitschieter naar boven uitbleef, uitgezonderd een zesde plek in de Strade Bianche. In het nieuwe seizoen moest het beter gaan, de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix waren hoofddoelen, in zijn ploeg Deceuninck-Quick Step was een belangrijke rol voor hem weggelegd. Maar fysieke malheur dwarsboomde zijn plannen.

Kort voor de Ronde van Vlaanderen kwam het bericht dat je kampte met hartritmestoornissen. Dat was vast schrikken voor je.
“In het begin was dat zeker het geval, maar die problemen zijn achter de rug. Na een kleine ingreep mocht ik half april weer op de fiets stappen.”

Schiet het dan nu niet meer door jouw hoofd?
“Omdat ik er nu vragen over moet beantwoorden natuurlijk wel, maar normaal gesproken niet. In mijn leven heb ik nooit eerder hartproblemen gehad en na de operatie heb ik niks merkwaardigs gevoeld. Tijdens wedstrijden en de hoogtestages die ik na mijn herstel heb gedaan, ging het goed. Verschillende artsen hebben mij verzekerd dat het niet meer gevaarlijk is. Ik ben gerustgesteld en kijk nu naar de toekomst. De problemen liggen achter mij.”

Jij was waarschijnlijk de enige renner die blij was dat parijs-roubaix werd verplaatst naar oktober.
“Eerlijk gezegd is het mijn lievelingskoers. Ik weet niet waarom, maar deze ligt mij. Van de zeven deelnames eindigde ik zes keer bij de eerste tien, met twee tweede plaatsen als hoogtepunt. In het begin van het voorjaar haalde ik een waanzinnig niveau, ik was klaar voor Roubaix, maar toen kwamen de hartproblemen. Op de dag van mijn operatie werd de kasseienklassieker naar het najaar verplaatst, alsof ze rekening met mijn toestand hielden. Dat was het enige positieve moment van die weken.”

Wat maakt jou altijd een geduchte concurrent aan de start van parijs-roubaix?
“Ik weet niet of ervaring echt een rol speelt, want bij mijn eerste deelname in 2013 deed ik al met de eersten mee. Mijn verleden als veldrijder kan ook helpen, maar ik vermoed van niet. Het is echt beuken op pure kracht. In verhouding zijn er weinig bochten, dus technisch kan ik de koers ook niet noemen. Ik dacht meer aanleg te hebben voor de Ronde van Vlaanderen, maar mijn uitslagen zijn daar een stuk minder. Misschien rijd ik meer ontspannen over het parcours in Frankrijk.”

Is het een leuke wedstrijd om te rijden?
“Voor de gewone mens is ‘de Hel van het Noorden’ echt een hel. Het kan verschrikkelijk zijn, want het is afzien, afzien en nog eens afzien. De historie en die moeilijkheidsgraad maken het interessant voor mij, ik houd ervan. Maar een ‘gewone’ renner die over al die slechte stroken met kasseien wil rijden, zou ik het zeker afraden. De finish in het velodroom is uniek, net als de enorme mensenmassa die langs de kant staat. Alle losse ingrediënten bij elkaar maken van Roubaix een unieke wedstrijd.”

Mathieu van der poel heeft parijs-roubaix nog nooit gereden. Wat zouden zijn kansen zijn?
“Mathieu maakt bijna bij elke koers kans. Hij heeft zo verschrikkelijk veel kracht in zijn benen, die gaat sowieso hard over de kasseien. Parijs-Roubaix past bij hem. Net als bij Wout Van Aert trouwens. Overal waar deze twee mannen rijden, maken ze kans. Ze zijn altijd op de afspraak.”

Je zit nu tien jaar bij deceuninck – quick-step. Hoe ziet de toekomst eruit?
“Ik ben niet iemand die zijn carrière zo lang mogelijk wil rekken. Ik heb mooie overwinningen gepakt, zoals een rit in de Tour de France, de Omloop Het Nieuwsblad en de E3 Harelbeke, dat geeft voldoening. Ik blijf doorgaan zolang ik ervan geniet, zolang ik koersen leuk blijf vinden en ik mezelf niet moet pushen om te trainen. Er komt een dag dat het verveelt en dat zal dan het symbolische eindsignaal zijn. Dan is de liefde weg. Voorlopig houd ik enorm van het wielrennen, ik heb veel getraind en wil nu tegen de concurrenten rijden. Ik zit vol goesting.”

Heb je ooit een overstap naar een andere ploeg overwogen?
“Nee, eigenlijk niet. De sfeer is goed, de mensen bij de ploeg voelen eerder aan als familieleden dan als collega’s. Het niveau binnen Deceuninck- Quick Step is zeer hoog, we maken van elkaar betere renners, het is niet voor niets dat we zoveel hebben gewonnen de laatste jaren. Om alleen al opgesteld te worden in een koers moet je in topvorm verkeren. Het maakt ook niet uit wie wint, als het maar iemand van ons is. De ene koers help ik een teamgenoot, die betaalt het later weer terug door mij bij te staan.”

Met wat voor fiets durf jij de kasseien van Parijs-Roubaix aan te vallen?
“Dat is een speciaal exemplaar dat we alleen die dag gebruiken. Het is een comfortabele uitvoering van de Specialized Tarmac. Daarop is een vering aangebracht vlak onder de stuurpen. Die kan je vastzetten en losmaken, dat laatste doe je vlak voor je de kasseien opdraait, de vering vangt de grootste klappen op.”

En de bandenspanning, die is vast ook anders dan in koersen over glad asfalt?
“Voor elke renner is de druk een persoonlijke keuze. Niemand deelt die met anderen, die blijft geheim. Ik bepaal de spanning door mijn gevoel te volgen en naar experts te luisteren. Zo nu en dan probeer ik in trainingen te spelen met de bandenspanning.”

En de kleding, is die anders?
“Nee, daar zijn we het hele jaar al zo aan gewend dat we geen aanpassingen hoeven te doen. Ik heb ook nooit blaren gehad bijvoorbeeld, na Parijs-Roubaix. Misschien heb ik een goede houding of is dat een voordeel uit mijn tijd als veldrijder. Ik heb gewoon genoeg eelt gekweekt. In een paar edities zat er extra tape om mijn stuur geplakt, maar nu niet meer. Ik vond de grip minder.”

Tekst: Thomas Sijtsma
Fotografie: Cor Vos

FuturumMag.18

Dit artikel is afkomstig uit FuturumMag.18, het magazine van FuturumShop. Wil je meer interviews, reviews, tips of achtergrondverhalen lezen? Klik hier voor alle artikelen uit het FuturumMag.